Grensoverschrijdend

Mag een ritje met de familiefiets, compleet met zoon achterop gelden als een trainingsrit? Nee, echt serieuze voorbereiding kunnen we dat natuurlijk niet noemen, ook als heeft de familiefiets loodzwaar rijdende ‘trekkerbanden’, staat er een behoorlijk stevige bries en is een klein bijdoel het verkennen van de omgeving voor het echte werk dat de volgende dag op de rol staat.

Die dag leverde mij ruim zestig kilometer door vooral Duitsland op, met grote delen nog stevigere tegenwind. Dat het gemiddelde desondanks op dertig in het uur lag, betekende het hoogtepunt van die dag, tegenvallend was dat het op papier kilometerslange fraaie uitzicht op de Eems beperkt bleef tot enkele steelse blikken op deze lui meanderende rivier. De wegen gaan hier dus niet over dijken langs de rivier, ze liggen gewoon in de buurt van de stroom en bewegen netjes mee. Uitzicht is er helaas niet zo veel, want er staat meestal wel een akker, bos of behuizing tussen de argeloze toerist en de Eems. Weer een paar dagen later wisten we een paar kleine weggetjes te vinden die wel aan de hooggespannen verwachtingen voldeden, maar toen regende het en waren we met de auto.

Goed, terug naar het gezellige niet-trainingsritje van begin vorige week. Zoonlief Tamas had enorm veel plezier beleefd aan ons eerdere bezoek aan het oude vestingstadje Bourtange, dus besloot ik daar vanaf de camping zo binnendoor mogelijk naar toe te fietsen. Dat lukte en een wisselend landschap van bossen, heidevelden, akkerland en hier en daar wat verhogingen was tot Jipsinghuizen ons deel. Helemaal het Drentse landschap dat in het vorige artikel wordt beschreven. Ook hier geniet ik weer van de namen van nederzettingen die ik onderweg tegenkom: Jipsingboertange, Wollingboermarke, het zijn namen die in deze streek worden vergezeld door buurtschappen als Kopstukken, Zaadstukken, ’t Liefstinghsbroek, Bakovensmee, en ga zo maar door. Wat kunnen mensen zich toch heerlijk uitleven in het verzinnen van namen voor de plekken waar ze besluiten hun leven door te brengen.

Bij Bourtange, een feest der herkenning voor Tamas, fiets ik de grens over, Duitsland in. Ik las ooit dat Groningers zich tientallen kilometers over de Duitse grens heel goed verstaanbaar kunnen maken, mits ze flink plat praten en onze buren hetzelfde doen. Mijn lief bevestigde dit feit voor haar eigen omgeving: mensen uit Nieuwleusen redden zich prima aan de andere kant van de grens als de Duitsers ook plat praten. Het is natuurlijk helemaal niet zo vreemd dat mensen die relatief dicht bij elkaar wonen, ongeveer dezelfde taal spreken, zeker als het een oude variant daarvan betreft, het veelal streekgebonden dialect.

Bakovensmee

Het trekken van grenzen is wat dat betreft een stuk onnatuurlijker. Als je zo dicht op de grens fiets zoals ik, valt direct op dat het landschap gewoon doorgaat uiteraard, maar de infrastructuur ongetwijfeld express mank gaat of zelfs doodloopt in de omgeving van de grens. Fraai geasfalteerde wegen veranderen in smallere wegen met stenen bestrating en als de grens echt in de buurt komt, blijft in het beste geval een zandweggetje over. Je kan blijkbaar de grens over, maar eigenlijk liever niet, zo lijkt de boodschap. En zo ontstaat de situatie dat aan weerszijden van de grens leefgemeenschappen letterlijk met de ruggen naar elkaar toe staan. Als ik na het Forst Kiemerswerth het plaatsje Neudersum binnenrijd, verwonder ik me in eerste instantie over de totale ‘Duitsheid’ van de beeldtaal van de huizen, tuinen, plaatsnaamborden, enzovoort, maar in het licht van het voorgaande is het eigenlijk niet meer dan normaal, ook al ligt het dorp hemelsbreed slechts een kilometer of vijf van Jipsinghuizen af.

Ik vervolg de rit langs de grens en fiets met een soort zaagtandbeweging tot groot enthousiasme van Tamas langs het ene windmolenpark na het andere en kom steeds dichterbij de grensovergang bij Sellingen, die op mijn fietskaart uit 1991 heel illustratief te boek staat als ‘grensovergang voor (brom)fietsers’. Die tijd hebben we inmiddels gehad, al staat er iets noordelijker van die overgang aan het begin van een van de vele zandweggetjes naar de grens opeens het bordje ‘ Keine Wendemöglichkeit’. Is dat bedoeld als waarschuwing voor het feit dat iemand nu toch echt definitief de Heimat gaat verlaten en dat er geen weg terug is voor dit besluit? Of is het een meer praktische waarschuwing uit een tijd dat er een hek stond, waar het Duitse weggetje eindigde in een dwars erop liggende, Nederlandse grensweg? Ik weet het niet, en de mededeling klopt sowieso niet, want ook Duitsland heeft zijn eigen ‘Wende’ gehad, waar heel wat heftigere grenzen letterlijk omver werden geworpen.

Bij de grensovergang wacht mij een verrassing: ik moet zowaar een ‘berg’ over om Nederland in te rijden. De Hasseberg kan weliswaar met geen mogelijkheid een echte heuvel worden genoemd, maar het is wel een heuse verheffing in het landschap. Van mijn ritten in Limburg heb ik een fascinatie overgehouden van klimmend Nederland in rijden. Zou de Hasseberg de meest noordelijk gelegen grensovergang zijn waar geklommen moet worden om ons land in te komen, hoe bescheiden het hoogteverschil ook? Dat weet ik eerlijk gezegd niet, maar de Hasseberg inspireert me wel om alle grensovergangen met klimwerk in kaart te brengen. Lijkt me een enorm leuk project!

Scroll Up

Pin It on Pinterest