Het Hijgende Hert

Het afgelopen weekend ‘even’ naar Zuid-Limburg geweest. Daar zouden ook collega’s rondrijden, maar mijn weekendschema zag er net iets te onzeker uit om me in hun plannen te voegen.

Eerlijk gezegd was ik ook in een wat solitaire stemming, dus heb ik ook niet alles op alles gezet om ‘erbij’ te zijn. Heerlijk vroeg in de auto, waar ik mij direct tussen een verdachte hoeveelheid caravans, vouwwagens, karretjes en volgepakte auto’s begeef. O ja, het Noorden heeft vakantie en dat is dus ook om zes uur ’s ochtends te merken op de snelweg. Verder geen last van gehad en om kwart over acht stuur ik het Limburgse heuvelland in en nog vóór half negen vertrek ik vanuit Gulpen richting Slenaken.

Althans, dat is de bedoeling, want het rustig slingerende dalweggetje langs de Gulp dat ik acht jaar geleden met mijn lief koos om in Slenaken te komen, weet ik feilloos te missen, zo realiseer ik me als de weg direct buiten Gulpen stevig begint te stijgen. De koude spieren protesteren enigszins, maar ik houd het tempo rustig en zonder de boel te forceren bereik ik het plateau, dat hier volgens de kaart ‘Groote Bos’ heet. Dat slaat dan op het bos naast de weg, want mijn lichaam wordt beschenen door een zon die op dit vroege uur van de dag al behoorlijk sterk is. Oef, dat belooft nog wat voor de rest van de dag.

In Heijenrath besluit ik alsnog naar Slenaken te fietsen, want de klim naar het dorp waar ik per ongeluk nu al ben beland wil ik per se doen. Ik stort me daarom naar beneden, keer in Slenaken om en ploeter dezelfde weg weer naar boven. Hoe gek kun je zijn, kan een willekeurige lezer misschien denken, maar ik ben hier gekomen om te klimmen en dit is een helling die moeiteloos de sfeer van een echte bergweg weet op te roepen, compleet met haarspeldbocht en hoopgevend doorkijkje naar de strakblauwe hemelboog in het laatste deel van de klim.

Na Heijenrath volgt een miniklim naar Eperheide en van daaruit golft de weg naar beneden, naar Epen. Het valt me op dat de weg inmiddels is geasfalteerd. Twintig jaar geleden maakte ik er met vrienden nog een sport van om op de klinkerweg door het dorp auto’s te gaan inhalen. Met een vaartje of vijftig in het uur flink aanzetten om nog even snel een paar auto’s te passeren: stoer! Wel op tijd de remhandels intrekken, anders eindigt die jeugdige overmoed in een gevel aan de dwars op de Julianastraat gelegen Wilhelminastraat. Iets wijzer dan toen rijd ik nu op snelle, maar gepaste wijze omlaag, knijp op tijd in de remmen en sla rechtsaf, richting Camerig.

Uitzicht op laatste stukje Nederland

Net na Camerig start een prachtige, lange klim die pas ruim vier kilometer later eindigt. Camerig schijnt ‘de koude berg’ te betekenen, een naam die deze heuvel te danken heeft aan de oostelijke ligging en de vrijheid die de westenwinden daardoor hebben om de helling te teisteren. Ja, ja, het zal allemaal wel, maar vandaag is het gewoon enorm heet en is het enige dat mijn lichaam geselt de zon. Deze klim is minstens zo fraai als de vorige. Hij ligt letterlijk aan de rand van Nederland, is voorzien van fraaie knik met stenen muurtje, gunt iedere gast aan de rechterkant een voortdurende en weidse blik op het laatste stukje van ons koninkrijk, maar ik heb er dit keer weinig oog voor. Mijn gedachten gaan uit naar café-restaurant Buitenlust, want daar is de weg even vlak en begint het bos, brenger van de verlossende schaduw.

Dat de klim hierna nog ruim twee kilometer duurt, deert me een stuk minder. Maar goed ook, want het is een sfeervol traject. De klim maakt hier en daar scherpe bochten, weet er zelfs een heuse haarspeldbocht uit te persen, wordt af en toe onderbroken door korte afdalingen, maar gaat uiteindelijk onverbiddelijk omhoog door een bos waar het zonlicht spaarzaam doorheen weet te dringen. Het zweet van het eerste, open gedeelte droogt op en langzaam maar zeker dringt het besef door dat de weg door een oud, heel oud bos slingert. Echt oude bossen zien er anders uit dan recent aangelegde bossen, voelen anders, ademen een authentieke sfeer uit die bijna iedereen zal herkennen.

Weg valt omlaag naar Vaals

Vrijwel direct na het hoogtepunt duikt de weg met twaalf procent naar beneden. De neiging om me over te geven aan de zwaartekracht is groot, maar pas op: wie dit doet, eindigt vrijwel zeker op het terras van het restaurant in de haarspeldbocht in het begin van de afdaling. De remmen gaan dus pas na de bocht helemaal los, komen bij de volgende scherpe bocht nog eenmaal in actie en dan kan de val naar Vaals ongeremd worden ingezet. In Vaals is het direct klimmen, want het Drielandenpunt is het volgende doel. Jammer dat het eerste, meest steile stuk behoorlijk open en bloot is: ik kan de zon haast horen bulderen van het lachen als hij z’n stralen op mij doet neerdalen. Ook dit keer wordt het wat vlakkere tweede stuk door het bos in dank aanvaard.

Op het 323 meter hoge dak van Nederland valt me vooral de onwerkelijke rust op. Alles aan de gebouwen en attracties rondom het Drielandenpunt doet dienst als toeristenfuik, maar er is bijna geen slachtoffer te bekennen, want het is nog behoorlijk vroeg. Ik rijd achter de uitkijktoren langs en rijd omlaag, België in, over een weg die jarenlang niet in het onderhoudsschema van de Rijkswaterstaat van onze Zuiderburen moet hebben gezeten. Of ‘men’ wil niet dat er nog mensen deze weg gebruiken, of iemand heeft een enorme hekel aan fietsers. Gelukkig duurt het allemaal niet zo lang. In Gemmenich besluit ik de plannen te wijzigen: de directe klim terug Nederland in laat ik rechts liggen en ik zet koers richting Teuven, om door het fraaie dal daar naartoe even lekker te kunnen rondmalen zonder al te veel klimwerk. Helaas bestaat die weg alleen maar in mijn herinnering, want er moet toch regelmatig fors worden geklommen. Raar, hoe het geheugen zo aan de haal kan gaan met dingen, zo lang geleden is het nu ook weer niet dat ik hier rondfietste…

Kasteel even buiten Sippenaeken

In Teuven bestijg ik de heuvelrug die Nederland en België van elkaar scheidt en in Eperheide pak ik nogmaals de lange klim naar hooggelegen oerbos, probeer in de haarspeldbocht voor de tweede keer niet op het terras te eindigen, zoef verder omlaag, maar sla dit keer even vóór Vaals linksaf richting Vijlen, een dorp dat op een soort natuurlijke terp ligt die een hoogte van ongeveer tweehonderd meter bereikt. Vijlen is daarmee het hoogst gelegen dorp van Nederland en de katholieke kerk de hoogstgelegen tempel. Ja, dat had ik al gemerkt, want de weg gaat vanuit Vaals wel erg lang geniepig omhoog. Vijlen is de uitvalsbasis voor de derde klim naar de berg met het oerbos, een berg die wat de inwoners van Vijlen betreft ook gewoon een naam heeft, namelijk de Pannisberg. Het is inmiddels al een stuk bewolkter geworden, maar voor mijn beklimming heeft de ongenadige zon toch nog een fors gat in het wolkendek weten te prikken. Als ik op de top in het bos een bordje ontwaar dat de komst van het etablissement ‘Het Hijgende Hert’ aankondigt, weet ik mede daardoor maar al te goed waar die naam vandaan komt.

In de afdaling door het bos naar café-restaurant Buitenlust vergeet ik even dat de veertig alweer ruim ben gepasseerd en steek met jeugdige bravoure een haarspeldbocht in. Ik schrik even als de zwaartekracht mij en mijn fiets goed in zijn greep krijgt en de acceleratie fysiek merkbaar wordt, voel een steekje van onzekerheid als ik een beetje naar het midden van de weg afdrijf, maar alles lijkt onder controle, totdat er plotseling een dikke Volvo opduikt. Ook al is het waarschijnlijk niet echt nodig, gooi ik mijn lichaam richting heuvelwand en met een lichte slingering vervolg ik mijn weg naar beneden. Genoeg bravoure voor vandaag! Op het terras van Buitenlust geef ik mij over aan het panorama, de abrikozenvlaai met cola en het rustgevende geroezemoes om mij heen. Ik vraag me ergens in deze pauze zelfs af of ik hier nog wel vandaan wil.

De drang om nog minimaal twee beruchte klimmen te doen ‘nu we er toch zijn’, brengt me desondanks weer in het zadel. Rustig beklim ik de Pannisberg, daal af naar Vijlen, overwin een kort maar venijnig klimmetje om ook echt in het dorp te komen en fiets naar Mechelen, Partij, Wittem en uiteindelijk Eys. De kenner herkent het einddoel waarschijnlijk direct: de Eyserbosweg, een klim voor liefhebbers, zo staat beschreven in het boekje ‘Bergop in Nederland’. Daar zou ik dan toe behoren, al vergeet ik iedere keer aan de voet van die muur eigenlijk waarom. Het is een vrijwel rechte weg omhoog, die met percentages van acht tot tien procent van start gaat, en als de spieren hier een beetje genoeg van beginnen te krijgen, meedogenloos toeslaat met percentages tot wel zestien procent. Het demotiverende aan de Eyserbosweg is dat je die mokerslag  al ver van tevoren ziet aankomen.

Ik laat me ook deze keer weer intimideren, maar niet kleineren. Ketting op het kleinste tandwiel voor en een van de grootste achter en malen maar. Dit moet op de Ventoux toch ook de methode worden, en het werkt: voor het eerst in mijn leven beklim ik de Eyserbosweg zonder uit het zadel te komen. De snelheid daalt op de steilste stukken schrikbarend, maar blijft immer boven de tien kilometer per uur, al kan dat ook te maken hebben gehad met het feit dat ik niet zo vaak op mijn metertje keek en de eventuele beschamende slakkengang daardoor gemist heb…

Vanaf hier is het plan om naar Wijlre (spreek uit ‘Wielre’) af te dalen en daar bij de brouwerij van Brand weer omhoog te gaan. Zo’n acht jaar geleden deed ik deze klim met onze dochter van één in het zitje voorop, onderdeel van een leuk tochtje door de omgeving van Gulpen. Mijn lief was niet bepaald blij toen ze hoorde wat voor afdalingen ik allemaal gefietst had met onze dochter voorop. Nog behoorlijke woorden over gehad. Helaas neem ik voor het eerst vandaag ergens een verkeerde afslag, dwaal wat rond en voel in een klim terug naar de Eyserbossen dat mijn benen behoorlijk moe zijn. De geest ook, dus besluit ik dat het welletjes is.

Uitzicht vanaf Gulpenerberg op Gulpen en Wijlre

Nou vooruit, nog één puist dan, de Gulpenerberg vanuit Partij, nog zo’n muur. Op papier iets minder heftig dan de Eyserbosweg, maar aan het eind van de rit een ware ‘killer’. De wetenschap dat ik ook deze klim ooit met dochterlief voorop heb bedwongen, helpt om de klim te aanvaarden, maar als de spieren halverwege echt aan de slag moeten, dreig ik mijn Waterloo te vinden. Ik moet uit het zadel, zie me genoodzaakt een tiental meter zelfs slingerend naar boven te gaan en weet ternauwernood fietsend boven te komen. Even vóór de afdaling naar Gulpen plof ik op een bankje en zie in de verte Wijlre liggen, waar het toeristische treintje met zaligmakende onthaasting richting Simpelveld vertrekt. Wat is Limburg toch prachtig, maar het is genoeg geweest: op naar Meppel!

PS: Volgens het boekje ‘Bergop in Nederland’ heb ik zo’n 17,5 kilometer geklommen vandaag en dan tel ik de Belgische heuvels nog niet eens mee. Al met al gewoon stiekem de Mont Ventoux beklommen dus, inclusief brandende zon. Gezien de ervaringen van anderen kon die ploert straks nog wel eens een geduchte tegenstander worden. Ben er eigenlijk wel een beetje bang voor…

Scroll Up

Pin It on Pinterest