Knikkende knie

Een aantal collega’s heeft afgelopen zondag een prachtige fietstocht gehouden in het Teutoburger Wald. Mooie omgeving, leuke klimmen, goed gezelschap, de banketbakker het gedroomde vertrekpunt voor de lekkerbekken, het klinkt te mooi om waar te zijn, en dat was het in mijn geval ook. Stond ’s ochtends niet lekker op, voelde me erg moe en besloot daarom af te zeggen. Toen ik om tien uur vervolgens uitgeslapen opstond, bleek alle ellende in mijn dromen te zijn achtergebleven. Heerlijk relaxed ontbeten met de rest van het gezin en uiteindelijk vroeg in de middag toch nog op de fiets gesprongen voor een fikse trainingsrit door dalen en over bergen.

De rit ging van start door het Reestdal, nog altijd mooi, maar sinds ik de intimiteit van het dal van de Ruiten Aa in Zuid-Oost Groningen heb ervaren, toch iets minder uniek dan voorheen. Raar eigenlijk, de manier waarop ons brein altijd en eeuwig alles met elkaar vergelijkt. Doet me denken aan het Zen-verhaal over een meester die een lijn op een schoolbord tekent. Hij vraagt zijn leerlingen of ze een manier kunnen bedenken om die lijn kleiner te maken zonder deze aan te raken. Het is een tijdje stil in de zaal, maar dan staat een leerling op, loopt naar het bord, pakt het krijtje en tekent een langere lijn onder de eerste.

Goed, genoeg Zen-wijsheid voor vandaag, we fietsen verder door het Reestdal. In IJhorst sla ik rechtsaf, de uitlopers van het Staatsbos in. Of ze dat werkelijk zijn, weet ik eigenlijk niet, maar voor mij staan ze wel als zodanig te boek. Een paar kilometer later verruil ik de schaduwrijke kleinschaligheid van het bos voor het open landschap tussen Balkbrug en Punthorst. Het eerstgenoemde dorp is het doel, maar vlak voor Avereest sla ik een verkeerde weg in en fiets ik een heel eind richting Punthorst. Jammer, want de Ommerschans vlak na Balkbrug is een mooi stukje en dat ga ik nu missen. Tegen de wind in beukend bereik ik met wat gekronkel Vinkenbuurt, dat met enige fantasie al tot het Vechtdal gerekend mag worden.

Via Witharen bereik ik Ommen. Het is mooi weer, weekend en de vakantie is voor velen ook nog in volle gang en dat is te merken ook: fietsers, wandelaars, racefietsen, mountainbikes, auto’s, caravans en motoren krioelen hier door elkaar heen als in de kaarsrechte straten van New York in de ochtendspits. Het wordt iets minder na de brug over de Vecht en de afslagen naar Vilsteren aan de ene kant en Mariënberg anderzijds, maar ik weet wat mij op de komende bergen te wachten staat: drukte en slechts de hoop dat ik er enigszins vlot doorheen kan komen. Maar ja, ik heb al in geen maand of zo een serieuze klim gedaan en dat moet vandaag dan maar eens gebeuren, dacht ik zo.

In het begin van het fietspad over de Archemerberg zie ik een jong stel traag op hun mountainbikes omhoog kruipen. Het is een nogal opvallend koppel: groot, strakke lijven, de ledematen in een te perfecte tint bruin gekleurd, licht glimmend van het zweet, of hebben ze er olie op gesmeerd omdat dit hun kleurtje zo fraai doet uitkomen? Hun uitrusting is al even ongenaakbaar foutloos: kekke fietshelm, strakke, modieuze pakjes en ze trappen elk een fiets naar boven die een heleboel geld gekost lijkt te hebben. Met een korte, ferme tik tegen mijn bel dirigeer ik ze naar rechts en passeer ze met de bravoure van de ‘echte’ wielrenner. Een tikkeltje te dik aangezet natuurlijk, maar ach, niets menselijks is mij vreemd…

Op de Lemelerberg zie ik in de verte een dapper clubje toeristen op hun comfortabele fietsen omhoog keuvelen. Zouden ze hier bekend zijn? Waarschijnlijk niet, dus hebben ze zich in slaap laten sussen door deze berg. De eerste honderden meters gaan namelijk met slechts een paar procent omhoog. Niets aan de hand, jongens, die Lemelerberg valt enorm mee, hoor ik ze in gedachten al tegen elkaar zeggen. Maar dan moeten ze de bocht door en schiet de weg opeens ongenaakbaar omhoog: eerst zes procent en dan zelfs met acht procent. Dat blijkt te veel, want in een soepele beweging zie ik ze gevieren afstappen. Terwijl ze te voet omhoog gaan, schiet ik ze voorbij. Ik moet hier weliswaar een paar tandjes terug, maar de vaart blijft er wel gewoon in. Heerlijk, als de trainingsarbeid z’n vruchten afwerpt.

Nadat ik de Lelemelerberg van de andere kant beklommen heb, vervolg ik mijn fietstocht richting Dalfsen. Mooi stuk door de bossen, vanuit Dalfsen binnendoor naar de Hessenweg is ook prachtig. Over de Veldweg naar de fraai gerestaureerde molen van Nieuwleusen, over het nieuwe fietspad naar De Meele en van daaruit binnendoor naar het crossterrein van de Staphorster motorclub, Staphorst en uiteindelijk Meppel, het zal allemaal wel. Dat is gewoon om thuis te komen en het totaal aantal gereden kilometers op bijna 95 te krijgen. Goed tempo erin gehouden, niet gestopt en niets geforceerd, zo lijkt het, al blijk ik thuis toch behoorlijk afgepeigerd te zijn.

De volgende dag sta ik met pijn in mijn linkerknie op. Shit, toch iets geforceerd blijkbaar. Op de fiets naar mijn werk blijk ik nauwelijks kracht te kunnen zetten met de linker knie. Het tunneltje onder het spoor door lijkt opeens een heuse col van de eerste categorie geworden, zo langzaam kruip ik omhoog. Ik begin me behoorlijk zorgen te maken. Het zal toch niet waar zijn dat ik anderhalve week voor de Klim der Klimmen moet afhaken met een blessure? Met knikkende knie aan het eind van de middag naar huis gefietst: nog steeds hetzelfde gevoel. De volgende dag is het gelukkig iets minder erg, maar nog steeds behoorlijk pijnlijk. De rest van de week heb ik daarom helemaal niet getraind. Gisterenavond heb ik met de jongens op de familiefiets de houten brug over de Europalaan stevig ‘genomen’. Dat ging zonder pijn en ook vandaag voel ik er niets van. Oef, en nu maar hopen dat collega’s Wim en Stephan mij niet aansteken met hun griepjes/verkoudheden. Heren, bacillen thuis graag!

Scroll Up

Pin It on Pinterest