Krasse knarren

Daar stond ik dan: overweldigd door de stenen ruigheid van het landschap onder me, het lichaam nauwelijks verwarmd door een Zuid-Europese zon die het maar niet kan winnen van een zacht strelend maar onverbiddelijk koud briesje, de lucht voelbaar ijler, vervuld van een voor deze gelegenheid belachelijk aardse gedachte: waarom klinkt die wind hier op de top zo raar?

Aangezien zelfs het prachtigste landschap op een gegeven moment gaat vervelen, schenk ik mijn directe omgeving wat meer aandacht. Mijn blik valt op twee Franse wielrenners, die gezien de kleur van hun huid jaarlijks de nodige kilometers op hun fiets doorbrengen. Ze moeten de zestig ruim zijn gepasseerd, deze sportieve mannen met gezichten die prachtig geboetseerd zijn door de tijd. Ze kijken bewonderend naar de fiets waarmee ik boven ben gekomen: een knalrode Ducati 750 Paso. Ik loop naar hen toe en probeer hen in mijn beste Frans duidelijk te maken dat ik het weliswaar erg leuk vind dat ze mijn motorfiets mooi vinden, maar dat alle bewondering wat mij betreft natuurlijk naar hen zou moeten uitgaan: het beklimmen van de Col (en Cime) de la Bonette op de motor is erg leuk, maar met de fiets naar een hoogte van 2802 meter stijgen, is toch echt heel andere koek! Mijn beste Frans is blijkbaar voldoende geweest, want er breekt een glimlach door op de gezichten van beide mannen. Ze zijn het overigens niet eens met mijn bewering. Ik begrijp uit hun woorden dat zij in hun jeugd ook het liefst met zo’n fiets als de mijne omhoog waren gegaan. Mijn tijd zou nog wel komen, beweren de krasse knarren met grote stelligheid, en ze verdwijnen in de wereld onder ons die ze even hiervoor met grote inspanning hadden weten te ontstijgen.

Deze boodschap hoog in de Franse Alpen is me altijd bijgebleven. Niet dat er vanaf dat moment een verzengende ambitie in mij loskwam om alle grote cols in Europa te gaan bedwingen op de fiets, het was meer een onrijp idee om dit ooit nog eens te doen, een hersenspinsel dat ieder jaar opnieuw fel oplaait als ik de beelden uit de Giro of de Tour de France zie, om dan weer uit de doven tot het niveau ‘net niet uit als een nachtkaars’. Een leuk vlammetje om te koesteren, maar hoe lang blijft het geloofwaardig dat die superberg ook echt beklommen gaat worden, opgeslokt als ik ben door de waan van de dag, en wanneer mijn jaren zich alweer (heel) ruim veertig keer aan elkaar hebben geregen? Niet erg waarschijnlijk voor iemand die geen echte wielrenner is, maar toch heeft het zaadje dat de krasse knarren op die kale puist in mijn ideeënwereld plantten, bijna twintig jaar later alsnog vruchtbare bodem gevonden in de vorm van de beklimming van de Mont Ventoux. Nog zo’ kale berg, en een minstens zo afschrikwekkende, en dat maakt deze berg nu juist weer zo onweerstaanbaar.

Mijn ‘moraal’ om begin september deze legendarische kale berg te gaan beklimmen met een aantal collega’s is bijzonder sterk. Ik zal niet ontkennen dat ik in eerste instantie vooral werd aangetrokken door de fysieke en mentale inspanning die ik ongetwijfeld op de meedogenloze flanken van de  Mont Ventoux zal moeten leveren. Maar die berg staat natuurlijk voor zoveel meer: de strijd aangaan met iets dat onoverwinnelijk lijkt, een vreeswekkende vijand in de ogen durven zien, oftewel angsten hebben maar het toch opnemen tegen een vreselijke ziekte als kanker. Dit is natuurlijk precies de reden dat mensen bergen gaan bestijgen om geld in te zamelen voor goede doelen: het zijn van die allemachtig prachtige symbolen!

De symboliek van bergen is misschien een cliché, maar wat zou dat. Het zou goed kunnen dat ik aan helemaal niemand denk als ik begin september de Kale Berg aan het beklimmen ben, de materiaalman of de persoon die mij aan drinkwater of voedsel gaat helpen misschien uitgezonderd. Maar in de lange aanloop naar deze beklimming gaan mijn gedachten uit naar mijn vader, die me heeft laten zien dat je een bij voorbaat verloren strijd toch heel waardig kunt voeren, naar diegenen in mijn directe omgeving die hun eigen berg hebben moeten beklimmen, of nog aan het beklimmen zijn, zonder precies te weten waar ze zich op de helling bevinden en welke stijgingspercentages ze nog voor de kiezen krijgen; en dat zijn er helaas al veel te veel. Ik weet niet of ik in mijn euforie op de top aan jullie denk, maar als dat het geval is, dan toast ik een colaatje op jullie, de ware helden van de bergen.

Scroll Up

Pin It on Pinterest