Lichaamsvreemde tintelingen

Ik kan niet klimmen. Deze constatering, die hoogstwaarschijnlijk hier en daar wat collegiale wenkbrauwen zal doen fronzen,  heeft niet zozeer te maken met een zwaar geval van zelfonderschatting, en een irritante poging tot valse bescheidenheid is hier zeker ook niet aan de orde, het is vooral een erfenis uit mijn jongere jaren, toen ik met vrienden fietste die altijd eerder boven waren dan ik. Och, ik bereikte de toppen altijd wel, kon een lange dag fietsen door de Limburgse heuvels of de Ardennen met redelijk gemak volbrengen, maar ik kwam vrijwel nooit als eerste boven. Kwestie van de ‘verkeerde’ vrienden uitzoeken denk ik, want ik ben nu eenmaal een persoontje dat zich eenvoudig laat opnaaien door de sporters die vóór me eindigen.

Paul was zo’n vriend: in het gelukkige bezit van de eigenschap dat hij zonder een kilometer getraind te hebben al het vetpercentage had van een topsporter. Cadeautje van moeder natuur. Deze voor hem heuglijke fysieke gesteldheid, gecombineerd met het feit dat hij het wielrennen wat serieuzer aanpakte dan ik, maakte dat hij de betere klimmer van ons was. Terwijl droog weer in mijn geval altijd een innerlijke strijd betekende tussen het aantrekken van de stoere leren motorkleding of het even strak zittende maar helaas vele malen minder stoere wielerbroekje met zeemleren binnenwerk, maakte Paul ongetwijfeld vaker dan mij de in sportief opzicht betere keuze. Gek genoeg weet ik het niet precies, want we zagen elkaar weliswaar regelmatig, maar we fietsten eigenlijk maar een paar keer per jaar samen, met als letterlijk en figuurlijk hoogtepunt de Limburgse heuvels.

Paul was namelijk ook nog in het ‘bezit’ van een broer die in Maastricht woonde, een ideale uitvalsbasis voor ritten door het Limburgse heuvellandschap en natuurlijk ook de Ardennen. Heerlijke weekenden heb ik op de fiets doorgebracht met beide heren, over het bij iedere wielrenner overbekende stijgende asfalt, maar zeker ook over anonieme landweggetjes die halverwege keihard bleken te wedijveren met de Limburgse klassiekers. Legendarisch was ook het gekibbel tussen beide broers over de te rijden route: de zelfverzekerdheid van broerlief, gebaseerd op het feit dat hij hier woonde en ‘dus’ alle weggetjes kende, werd regelmatig effectief opzij geschoven door de informatie op de fietskaart die Paul altijd bij zich had. Toen Paul mij twintig jaar geleden vroeg of ik eind juni met hem ging fietsen in Limburg, aarzelde ik daarom geen moment.

Toen ik me een week later met een stroomstoot door mijn lijf realiseerde dat in het afgesproken weekeindje fietsen ook de TT van Assen zou plaatsvinden, een happening die ik als motorrijder al jarenlang met vanzelfsprekende trouw had bezocht, hoefde ik desondanks niet lang na te denken: fietsen moest het worden. En zo kon het gebeuren dat ik op zaterdag 24 juni 1989 samen met Paul en zijn broer vanuit Maastricht naar het hoogste punt van België, de Baraque Michel, fietste. Ik had nog weinig gereden dat jaar, maar al bij de eerste lichte hellingen merkte ik dat ik sneller omhoog kwam dan Paul. Hierdoor gesterkt besloot ik het er op de eerste serieuze klim — de Barrage de la Gileppe, het pittige begin van de klim naar de Baraque Michel — maar eens op te wagen: vol erin en maar zien of ik als eerste boven kwam; om aan de top van de stuwdam met een inwendige grijns te mogen constateren dat de missie was geslaagd.

Kort daarop reden we Jalhay binnen en ging de klim naar de 674 meter hoog gelegen Baraque weer verder. Ik was behoorlijk zeker over mijn vorm van de dag en reed direct weg van de beide broers. Vanaf hier is de klim weliswaar nog best lang, maar niet echt steil meer, hield ik mij voor. Ik wist dit moordende, ja overmoedige tempo verrassend lang vol te houden, maar langzaam maar zeker begon mijn vrijwel ongetrainde lichaam te reageren op deze inspanning. Een wild kloppend hart, hevig transpireren en pijn in de benen kende ik maar al te goed, maar het tintelende gevoel door heel mijn lichaam was nieuw. Ik bleef echter tempo maken en de tintelingen werden heviger en heviger, totdat ik op een gegeven moment het gevoel had alsof er tienduizenden kriebelbeestjes door al mijn aderen raceten. Het was een gevoel dat euforisch had kunnen zijn, maar het toch helaas niet was, daarvoor zat ik te veel stuk. Toen ik de kruising met de N68 bereikte, sloeg ik inmiddels al stukken minder zelfverzekerd rechtsaf, zag dat er nog drie kilometer moest worden geklommen en kwam vrijwel direct tot stilstand.

Ik dook een minuutje of wat in dat vreemde, extreem tintelende gevoel binnenin mij en realiseerde me plotseling dat ik nog steeds niet was ingehaald door mijn gezellen. Ik nam een snelle slok uit de bidon, schoof mijn schoenen in de toeclips en zette weer aan. De tintelingen waren vrijwel verdwenen en ik durfde zowaar weer wat ‘gas’ te geven, al ging het uiteraard allemaal zo hard niet meer. Kapot kwam ik als eerste boven, op enkele minuten gevolgd door Paul en weer iets later zijn broer. Terwijl zij vrolijk met elkaar zaten te kletsen, wist ik tien minuten lang weinig tot niets uit te brengen, mijn lippen hadden dezelfde traagheid als na een flinke schaatstocht door een diepgevroren landschap. Het soepje wist ik na twintig minuten aan te breken, het brood liet ik voor wat het was.

Bij het vertrek klonken uit de openstaande autodeur flarden van een verslag van de TT van Assen. Ik reed er heen en hoorde nog net dat Hans Spaan de 125 cc had gewonnen. Een klein steekje ging door mij heen: shit, een Nederlander die de TT wint, en ik ben er niet bij! Lang duurde dit gevoel van spijt echter niet. Ach, wat zou het, ik had immers mijn eigen unieke overwinning behaald, een zege die tot op de dag van vandaag enig in zijn soort is gebleken, net als de kriebelbeestjes overigens…

Scroll Up

Pin It on Pinterest