Luchtperikelen

De vakantie was gisteren ‘alweer’ twee dagen voorbij, het weer schitterend, mijn lief bereid om het avondritueel geheel voor haar rekening te nemen (daarvoor mijn eeuwige dank) en dus stond niets mij in de weg om na bijna twee weken rust weer een trainingsrit af te werken. Helemaal niets was overigens ook niet helemaal waar. De bandjes stonden wat slap, dus moest er even wat lucht ingepompt worden. Dat moest geen probleem zijn, want ik heb een paar weken geleden een goed uitziende fietspomp gekocht. Helaas bleek gisteren dat de kwaliteiten van dit ding ophouden bij het uiterlijk: wat ik ook probeerde, ik hoorde meer lucht langs het ventiel sissen dan erin. Ik heb over het algemeen weinig geduld met techniek die het niet doet en dit keer al helemaal niet, dus vond die pomp een roemloos einde in de vuilnisbak. Het metallic rood gespoten staal bleek niet opgewassen te zijn tegen mijn driftbui. Enigszins geagiteerd liep ik naar de buren, die een prachtige pomp met drukmeter en superhandige universele aansluitnippel bleken te hebben. Het geknoei van tien minuten daarvoor gooi ik met tien ferme pompbewegingen van me af. De rit kan beginnen.

De spieren blijken gelukkig niet al te slap, dus kan ik met een stevig tempo binnendoor richting Doosje fietsen en van daaruit langs het stuk land van Natuurmonumenten naar Wanneperveen. Daar neem ik het toeristische fietspad dat door de weilanden en langs smalle sloten naar Giethoorn slingert. Niet zo geschikt voor ‘snelle jongens’ zoals ik, maar zo heerlijk rustig en groen dat ik er desondanks regelmatig te vinden ben. Ergens halverwege staat het letterlijke hoogtepunt van dit fietspad, een brug over twee sloten tegelijk, met een korte en supersteile oprit en even pittige afritten. Een man staat bovenaan de genieten van de rust, zo lijkt het, maar dan kijkt hij om en roept ongeduldig iets onverstaanbaars naar zijn dochter op skates. Even later passeert dochterlief mij met een vriendelijke glimlach, de man volgt met een onderzoekende blik. Ik kan er wel om lachen, al staat zijn humeur wat mij betreft in schril contrast met de omgeving waarin hij zijn gemoedstoestand manifesteert. De clichés over Hollandse landschappen stapelen zich hier op: zwart-wit gevlekte koeien in de wei, slootjes en bootjes, in de verte een paar eenzame fietsers, witte wolkenpartijen, het kan gewoon niet op. De avondzon zet dit alles nog in een warme, donkergele gloed, het licht waar fotografen terecht zo blij mee zijn.

In Giethoorn sla ik rechtsaf en gaat de weg in een rechte lijn richting Steenwijk. Het is opvallend rustig op straat, maar misschien heeft dat te maken met het potten en pannengerammel dat hier en daar opklinkt vanuit de oevers, waar de eigenaars van plezierboten hun avondmaal aan het bereiden zijn. Giethoorn moet de langste camping ter wereld zijn. Iets voor Steenwijk sla ik wederom rechtsaf, laat Onna in de verte links liggen, voorkom met kunst en vliegwerk dat ik onderweg langs de sloten kilo’s muggenvlees naar binnen werk, en fiets richting Havelterberg. Na het fietstunneltje onder de A32 volgt een lang stuk vals plat naar Darp. Hier weet ik voor de zoveelste keer feilloos de afslag naar een klimmetje naar Havelte te missen, keer om en ontdek bij het aanzetten dat mijn achterband slapper is geworden. Nee hè, het zal toch niet waar zijn?

Er zit verder weinig anders op dan door te fietsen alsof er niets aan de hand is, maar dat lukt natuurlijk nooit helemaal. Ik kijk regelmatig achterom om de staat van mijn achterband te bekijken, voel de slapte als ik door oneffenheden rijd en ben dus meer bezig met lucht dan met fietsen. Het feit dat het ‘luchtprobleem’ niet echt erger lijkt te worden, doet hier helaas weinig aan af. Ik besluit daarom maar zo snel mogelijk naar huis te fietsen. Dat betekent binnendoor naar Nijeveen. Bij het etablissement waar ze het verorberen van obscene hoeveelheden vlees tot normaalste zaak van de Duitstalige wereld hebben verheven, besluit ik het beruchte fietspad richting Drentse Hoofdvaart en de kalkovens te nemen. Bij de watertoren moet ik helaas constateren dat er nog wat minder lucht in de achterband zit. Het kan me niet meer zoveel schelen, want het eindpunt is bereikt. Ter hoogte van Scania merk ik dat ik op wel erg weinig lucht aan het fietsen ben. Ik passeer buurman Theo, die daar toevallig fietst en mij vraagt of alles goed gaat. ‘Ja hoor’, roep ik en zet mijn woorden kracht bij met een fier omhoog gestoken duim. Ik zet nog maar eens extra aan, niet om indruk te maken op de buurman, maar om thuis te zijn voordat het laatste restje lucht uit de band is ontsnapt. Daar aangekomen zie ik dat ik toch nog ruim veertig kilometer heb gefietst. Kan tevreden zijn dus.

Scroll Up

Pin It on Pinterest