Monsterwortelrit

Wanneer mag iets een traditie gaan heten: na vijf keer, nadat minstens tien edities achter de rug zijn, of pas na een jaartje of vijfentwintig? Wat mij betreft al veel eerder, want ik houd sinds een paar jaar een flinke fietstocht naar mijn moeder. Eén keer per jaar trek ik mijn stoute wielerschoenen aan, stap in Meppel op de fiets en val er ruim tweehonderd kilometer later in het Noord Brabantse Goirle pas weer vanaf. Gekkenwerk? Dat valt best mee, mits deze monsterrit met de juiste instelling wordt begonnen. De eerste twee ritten naar de wortels van mijn bestaan werden volbracht met een vrijwel ongetraind lichaam, maar een geest die er erg veel zin in had en grotendeels genoot van het onderweg zijn. Samengevat: er gewoon aan beginnen, niet steeds in gedachten bezig zijn met het einde en vooral rustig blijven doorfietsen.

De prille traditie komt mij dit jaar natuurlijk heel goed uit, want het past perfect in het streven zo veel mogelijk kilometers te maken voor de beklimming van de Mont Ventoux. Zo’n lange rit is natuurlijk altijd een compromis tussen mooie stukjes Nederland willen aandoen en opschieten. Maar de derde editie die ik eind mei volbracht leert dat er eigenlijk nauwelijks compromissen gesloten hoeven worden: wat is ons landje toch waanzinnig mooi, zo van de fiets bezien. Weidse rivierlandschappen, glooiende bossen, onderbroken door heidevlaktes, lieflijke, intieme korenveldjes, een heuse heuvelrug, een vestingstadje, meer rivierlandschappen, kastelen en waterwerken, gecultiveerd agrarisch landschap, bossen en zandverstuivingen wisselen elkaar af en juist omdat het op de fiets zo langzaam gaat, hebben al die landschappen de tijd om tot de toeschouwer door te dringen. Een terugkerende gedachte op dit soort ritten is dat ik iedereen wel op zo’n rit zou willen meenemen om hen de pracht van ons landje te laten zien.

De rit van dit jaar startte kronkelend over de dijk naar Zwartsluis en vandaar naar Hasselt. Elke keer weer verrassend snel toont Zwolle haar nieuwe gezicht. Ik rijd door de nieuwbouwwijk zo ver van het oude centrum van de Hanzestad en bereik het rommelige stukje tussen de ring en de nieuwbouw. Ik mag dit soort rafelranden wel, volgens mij bijna altijd bewoond door mensen die overal een beetje buiten vallen. Hoe dan ook, de rafelrand is oud, maar niet bejaard genoeg om tot het oude handelsgedeelte van Zwolle te horen, maar al helemaal niet jong genoeg om voor de nieuwbouw richting Hasselt door te kunnen gaan. Wat mij betreft heeft ieder stad recht op zo’n breuklijn, al leert de geschiedenis dat woningbouwcorporaties, vastgoedmagnaten en andere belanghebbenden dit soort gebiedjes uiteindelijk feilloos weten te vertrutten.

Ik verlaat de provincie Overijssel klimmend over de oude brug naar Hattemerbroek en Wezep. Diep onder mij zijn twee echte mannen met wollen mutsen bezig in een roeibootje vis naar binnen te halen, daarmee zo’n beetje de enige rimpelingen in de verder kalme IJssel veroorzakend. Na Wezep volgt weer een lichte klim, over de A28 dit keer. Ik daal af in een goed bewaard geheim van Gelderland: het hier en daar licht glooiende boeren landschap tussen de haastige snelweg en het randmeer van Flevoland. Aanvankelijk nog weids en overduidelijk gecultiveerd, wordt het gebied richting legerplaats ’t Harde intiemer. De weides krimpen in omvang, de boerderijen lijken ouder dan de exemplaren die ik een halfuur eerder passeerde, en stukken bos nemen steeds vaker bezit van de grond die mijn wielen overrijden. Ik heb hier nooit enig serieuze tijd doorgebracht, maar het kan bijna niet anders zijn dan dat het leven hier rustig is, zo betovert het landschap mij langzaam maar zeker.

Vanuit Nunspeet klim ik voor de tweede keer de A28 over, het bosrijke deel van de Veluwe in. Het is nog steeds behoorlijk vroeg en dus verstoren slechts weinig auto’s de rust in dit oude woud. Ik zet koers richting Elspeet, Uddel en Garderen. Het bos laat mij niet los, al gunt het me af en toe een blik op een zonovergoten weiland of heidevlakte. Die doorkijkjes voeden mijn gevoel over de Veluwe, al is dat gebaseerd op heel ander stukken van dit natuurgebied en mijn geschiedenis. Van Garderen herinner ik mij van de vorige twee ritten dat ik er zo zachtjes in afdaalde, maar dit keer moet ik toch echt eerst een heuse klim verrichten. Blijkbaar is de route van dit jaar minder gelijkmatig dan de eerdere edities. Ik pauzeer in Garderen bij een oorlogsmonument. De gebeitelde tekst dankt God voor de komst van de dappere Canadezen om het dorp te bevrijden. Tja, zo kun je het natuurlijk ook zien…

Ik zet koers richting Voorthuizen en daarna naar Terschuur. Daar klim ik de A1 over en dender met een scherpe bocht het volgende fraaie stuk Nederland binnen. De grensstreek tussen Gelderland en Utrecht heet hier geloof ik officieel nog steeds Veluwe, maar ademt toch een heel andere sfeer uit. Alles is een beetje krommer: de weggetjes tellen veel meer bochten, de stukken weiland liggen veel minder strak omlijnd langs elkaar en de sloten zijn begrensd door wilgen. Ik word begroet door een eigenaar van een boerderij die ternauwernood ontkomen is aan het noodweer van een paar weken geleden. Een enorme boom ligt machteloos in de tuin. Precies de goede richting in gevallen. Ik wil er vanaf mijn fiets nog iets gevats over zeggen, maar besluit dat de inwoner van Achterveld te vriendelijk is voor deze behandeling. Na Scherpenzeel krijg ik de kriebels en kan maar nauwelijks een gretige grijns onderdrukken. Het is namelijk bijna tijd voor het letterlijke hoogtepunt van de dag, de klim over de Utrechtse heuvelrug.

Ik begin de klim vanuit Overberg, een prachtige naam voor een gehucht dat aan de andere kant van de Amerongse berg ligt, althans als je de heuvelrug vanaf de rivier beklimt. Voor mij is Amerongen ‘over de berg’. Ik rijd de Bergweg (echt waar!) op, die in het begin zijn naam niet bepaald waarmaakt, zo aarzelend verheft het asfalt zich. Aan de linkerkant is in het begin een weiland zichtbaar, dat om de een of ander vreemde reden een sterke associatie oproept met de Franse col d’Izoard vanaf de zuidkant. Ook daar heb ik vanaf de motor ooit aan de linkerkant een lieflijk glooiend weiland gezien, voorzien van achteloos gestrooide hooibalen, maar daar houdt ieder vergelijking wel op. De Izoard heeft aan de top dezelfde meedogenloze woestheid als de Mont Ventoux: puinhellingen vertellen zwijgend wat we zelf al wisten, namelijk dat we hier eigenlijk niets te zoeken hebben. De Amerongse berg heeft uiteraard niets van dit alles. Het is wel een leuk klimmetje van een paar kilometer, dat wel. Net over de top verschijnt een bord om bestuurders te waarschuwen dat de helling met 5 procent omlaag dendert. Toch bijzonder, zo’n bord in Nederland, zeker als je realiseert dat aan de ene kant een prachtig rivierenland ligt en aan de andere kant het eerder beschreven ‘wilgenkronkelland’. Deze berg heeft eigenlijk ook niets te zoeken in deze oer-Hollandse landschappen. Als er geen ijstijden waren geweest, was deze stuwwal natuurlijk ook nooit ontstaan…

In het fraaie dorpje Amerongen laat ik de kronkelende dijk naar Wijk bij Duurstede rechts van me liggen, bekijk nog even het kasteel van Amerongen en fiets naar het pondje over de Rijn. Ik ben gek op pondjes en ga nog eens een rit uitzetten met zo veel mogelijk varende oversteken erin. Het sfeertje is gewoon prachtig, met het zachtjes deinende vaartuig, mensen die over het algemeen geduldig wachten op de afvaart, de onvermijdelijke beambte met lederen tas, waar hij routineus het juiste kaartje uit tovert en er na het roepen van het bedrag de ongetwijfeld volstrek onvoldoende financiële bijdrage aan het onderhoud van deze nostalgie in stort. Ik parkeer mijn fiets achter een wielergenoot en knoop een gesprekje aan. Onze blikken gaan vrijwel tegelijk naar de hoge dijk aan de Amerongse oeverkant van de Rijn. Een bejaarde man heeft zijn netjes gerestaureerde Dafje geparkeerd op de kop van de dijk. Soeverein kijken eigenaar en mobiel brok nostalgie over het water. Ik weet zeker dat ik dit beeld een keer eerder heb gezien, in een glanzende en wervend bedoelde brochure van Daf. Aan de overkant werp ik nog een laatste blik op de Utrechtse heuvelrug en rijd de Betuwe in, richting Tiel.

Op weg naar Tiel borrelt het idee op om in het centrum van de Betuwe een overheerlijk appelgebak met slagroom te nemen, op een terras met uitzicht over de Waal dat ik op een eerdere expeditie had gezien. In Tiel aangekomen blijkt het terras een parkeerplaats te zijn, een beetje tegenvallend voor zowel de maag als waardering van het geheugen. Geen nood, want ik weet zeker dat aan de overkant een restaurant met terras staat. De Waal is bij Tiel breed genoeg om een ander mooi aspect van pondjes te ervaren: in het midden ben je voelbaar volledig omringd door water, de temperatuur daalt een tikkeltje en je hoort vooral veel watergeluiden. Ik geniet van het moment en zie aan de overkant inderdaad het restaurant. Het zit me echter niet mee, want het is juist vandaag ‘wegens omstandigheden’ gesloten. Jammer, maar eenmaal over de dijk met rechts ongehinderd uitzicht op de uiterwaarden van de Waal en de rivier zelf en aan de andere kant dorpjes als Dreumel, Heerewaarden en Rossum maakt het allemaal weinig meer uit: lang leve de clichés over het Hollandse rivierenlandschap!

Na Rossum volgt even een weinig boeiende doorsteek richting Ammerzoden. Daar pik ik weer een dijk op voor het laatste stukje ‘Land van Maas en Waal’. Bij Bern neem ik mijn laatste pondje van de dag. Als ik aan de overkant van de Maas ben, stop ik inwendig grinnikend bij een bord dat luidkeels verkondigt dat ik in Noord Brabant ben aangekomen. Tja, dat wist ik natuurlijk al. Het toeristische vestingstadje Heusden laat ik voor wat het is en ik zet koers richting het laatste kenmerkende landschap van vandaag, de Loonse en Drunense duinen, een best wel groot gebied met zandverstuivingen. Aan de rand ervan staat De Rustende Jager, een restaurant waaraan ik mooie herinneringen bewaar. Ooit genoot ik hier tijdens een fietsvakantietje met mijn vader na een barre laatste dag die veel te lang duurde en gekmakend veel tegenwind had, een laatste en heerlijk verzachtende maaltijd. De eenvoud ervan smaakte als een diner in een driesterren restaurant. Bij De Rustende Jager aangekomen blijkt het druk, maar ik kan nog een plekje vinden, bestel alsnog het appelgebak met slagroom, maar ook hier lukt het me niet de maag te bevredigen. Uitverkocht, het moet niet gekker worden! Het kwarkgebak met grote cola voldoet daarom eigenlijk niet en sneller dan gepland spring ik weer op de fiets. Negen uur na vertrek uit Meppel kom ik aan in Goirle. Vrij weinig gedacht aan lichamelijke zaken als vermoeidheid en pijntjes, maar als ik eerlijk ben heeft dat veel meer te maken met het feit dat ik dit jaar wel getraind had, dan aan de instelling waarmee de ‘monsterwortelrit’ werd ondernomen, al mijn verheven woorden daarover ten spijt.

Scroll Up

Pin It on Pinterest