Open source-software kent ook valkuilen

Op internet is tegenwoordig behoorlijk veel zogenaamde open source-software te krijgen, programma’s die door een groot aantal vrijwilligers is gemaakt. Het succes van aansprekende voorbeelden als de besturingssystemen Linux en Darwin heeft sommige softwareleveranciers ertoe verleid ook op deze wijze programma’s te gaan ontwikkelen. De verschillende belangen van traditionele softwaremakers en de open source-gemeenschap kunnen echter tot behoorlijke spanningen leiden.

De kern van open source-software is dat de zogenaamde broncode openbaar is en door iedereen kan worden gebruikt voor verdere ontwikkeling van de software. De broncode stelt specialisten in staat om precies te begrijpen hoe de software werkt. Door deze code aan te passen of uit te breiden, verandert de werking van het programma.

De kern is tegelijkertijd de kracht én de zwakte van de open source-gemeenschap. Het sterke punt is dat veel softwareontwikkelaars hun creativiteit botvieren op de broncode en software daarom relatief makkelijk van verbeteringen zou kunnen worden voorzien.

Probleem daarbij is echter dat iedereen de broncode kan inzien en wijzigen, waardoor het ontwikkelen van een coherent brok software zeker geen sinecure is gebleken. Alle voorgestelde wijzigingen moeten namelijk worden beoordeeld en bovendien moet er worden besloten welke broncode in de software wordt opgenomen en welke beslist niet.

Volgens Ruben van Wendel de Joode, assistent-professor aan de Technische Universiteit Delft, wordt dit probleem in de praktijk op een min of meer natuurlijke wijze opgelost. Stukken broncode die zijn geschreven door gezaghebbende ontwikkelaars, of brokken die op de een of andere manier populair zijn en veel worden gedownload, krijgen de meeste aandacht en worden daardoor steeds meer gedownload, waardoor ze nog meer aandacht krijgen, enzovoort. Deze bijdragen komen volgens Wendel de Joode daarom vrijwel altijd in de eindversie terecht.

Het lijkt al met al een behoorlijk omslachtige procedure, maar toch heeft de open source-gemeenschap al veel successen geboekt. Het bekendste en misschien wel meest invloedrijke voorbeeld is Linux, het besturingssysteem met de zittende pinguïn als beeldmerk. Maar er bestaan ook open source beeld- en videobewerkingsprogramma’s, een open source  ‘Microsoft Office-killer’, 3D-modelleringssoftware, opmaakpakketten, games, onderwijssoftware, enzovoort, enzovoort.

Een deel van Apple’s besturingssysteem Mac OS X is gebaseerd op Darwin, een Unix-variant die door de open source-gemeenschap is ontwikkeld. De goede ervaringen die Apple met Darwin heeft opgedaan, deed de softwareafdeling enige jaren geleden besluiten bij de ontwikkeling van Apple’s eigen browser, Safari, gebruik te maken van de open source-software KHTML van het bedrijf KDE.

Deze exercitie is helaas een voorbeeld van hoe het mis kan gaan bij de samenwerking van ‘gewone’ softwareontwikkelaars en hun open source-collega’s. De beslissingen die Apple moest nemen bij de ontwikkeling van Safari waren namelijk niet alleen technisch van aard, maar zeker ook commercieel. Ook bleek Apple veel meer haast te hebben met het uitbrengen van nieuwe, verbeterde versies van de browser dan KDE. Dit leidde er volgens KDE toe dat Apple minder ‘zuiver’ was bij het aanpassen van de software, waardoor er feitelijk twee verschillende browsers werden ontwikkeld waarvan de broncode niet eenvoudig meer met elkaar uit te wisselen is. De aanvankelijke trots van KDE over de samenwerking eindigde in verbittering. Hadden ze hun wederzijdse belangen maar van tevoren goed moeten bespreken, zo oordeelde menig softwarespecialist.

Scroll Up

Pin It on Pinterest